De ronde deur

“Out beyond ideas of wrongdoing and rightdoing, there is a field. I’ll meet you there.”
— Jalal ad-Din Rumi

Soms komt er een tekst voorbij die niet iets uitlegt, maar wat opent.
Tekst die niet troost, maar stil maakt en zorgt dat je kan verdragen.

Voor mij is dit zo’n gedicht. Het wijst naar iets wat ik zelf telkens opnieuw probeer te vinden in mijn werk, in mezelf, in het contact met de ander.

Die plek, dat veld voorbij goed en fout, voelt als de ruimte waarin echte ontmoeting kan plaatsvinden. Waar (ver-)oordelen vervagen. Waar niet jij of ik centraal staan, maar het tussen ons. Als begeleidingskundige is dat het moment waarop het gesprek verandert van analyse naar afstemming. Waarin woorden minder doen en aanwezigheid meer.

Het raakt me hoe Rumi spreekt over de ziel die in het gras ligt en hoe dan “language, even the phrase each other” geen betekenis meer heeft. Alsof hij zegt: laat je controle los. Wees daar. Blijf wakker. Ontwikkeling begint precies daar waar je niet meer precies weet wie je bent, maar wel voelt dat je aanwezig bent.

Het herinnert me eraan dat begeleiding niet begint bij het oplossen van een probleem, maar bij het betreden van dat veld. Niet sturen, maar ontmoeten. Niet sturen op weten, maar stilstaan bij wat zich aandient.

“The breeze at dawn has secrets to tell you. Don’t go back to sleep.”

Kunst en dus poëzie, helpt me om taal te vinden voor de binnenwereld. Voor wat nog geen woorden heeft. Voor wat gevoeld wordt, maar zich niet vanzelf laat uitspreken.

In de begeleidingsruimte gebruik ik daarom soms een gedicht, een beeld, een metafoor. Niet als antwoord, maar als uitnodiging tot verbeelding, tot een ander gesprek.